Moeders

Moeders

In Moeders gaat Herman van Veen terug naar de Kievitdwarsstraat in Utrecht waar hij werd geboren. Hij schrijft over zijn moeder en haar moeder, maar ook over hoe zijn dochter moeder werd en over zijn eerste viooljuf, met wie hij er een moeder bij kreeg. Over waar je vandaan komt, hoe dat je vormt en hoe je ermee verbonden blijft.

Moeder geeft kusjes op zere plekjes. Mompelt: ‘Zul je wel voorzichtig zijn en schat, je vader had dat ook.’ Moeder wast je handen, leert je knopen knopen, veters strikken, het omkeren van dubbeltjes. Als ze boos is heeft ze altijd lichtjes in haar ogen. Fluistert: ‘Luister nooit naar goede raad, behalve die van mij.’ Is ze droef draagt ze een zonnebril. Uit haar mond vliegt ooit een vogel. Daarna wordt het in de Hema stil.