Het miezert. Kleine druppels blijven plakken in zijn baard, ze glanzen in het licht van de opkomende maan. Hij voelt aan zijn broek. Drijfnat. Al de hele dag regent het, tijd om op te drogen is er niet en van schuilen in de kajuit kan geen sprake meer zijn. Niet samen met die man die bij het licht van een olielamp over allerhande papieren gebogen staat en er zo nu en dan, mompelend, wat op krabbelt. De opzichter kijkt naar zijn baas. De directeur van Stads Modder en Graafwerken is er niet beter aan toe dan hijzelf. Diens haar piekt onder een door het vocht slap geworden hoed vandaan, er lopen donkere strepen over zijn wangen van de viezigheid die met de druppels mee over zijn gezicht omlaag glijdt. Zijn ogen staan somber. Ook de directeur vraagt zich af hoelang hij dit nog verdragen moet.
Het stadsjacht is al vroeg Amsterdam uit gevaren en er nog steeds niet teruggekeerd, al is de dag inmiddels al haast voorbij. De naderende duisternis heeft een waas over het water gelegd en het land rondom doen zwijgen. Het enige geluid is het ploffen van voeten op het glibberige pad, het knerpen van touw, het ruisen van water naast de romp van het stadsjacht dat als een schim door de vaart glijdt. Zelfs het gezang is verstomd. De aanhoudende regen heeft het vuur gedoofd bij de scheepsjagers die nu zwijgend achter elkaar over het jaagpad naast de trekvaart sjokken, voorovergebogen onder de last van het stadsjacht dat hen tegenhoudt als een onwillige ezel die de stal niet uit wil.
Er klinkt een kreet uit de kajuit. Opzichter Van den Heuvel draait zijn hoofd, directeur Van Ronselen doet hetzelfde. Ze kijken naar de over de papieren gebogen man die in zichzelf mompelt, glimlacht en met het potlood op de kleine tafel tikt. Jan Blanken trekt met een ferm gebaar een streep op wat een tekening moet zijn, een kaart van dat kanaal waar hij het nu al drie dagen onophoudelijk over heeft. Wanneer hij plots de ogen opslaat en de twee verregende mannen op het achterdek aankijkt, slaan die de hunne neer. Het laatste wat de opzichter en zijn baas willen is dat de Generaal-Inspecteur opnieuw gaat praten. Liever zitten ze in de nooit eindigende regen dan nog één keer te moeten knikken als antwoord op vragen die niet om een antwoord vragen maar om een bevestiging. Retorische vragen van een oude man. Van den Heuvel en Van Ronselen hebben er schoon genoeg van. Goddank is dit de laatste dag waarop ze met Jan Blanken mee moeten. Straks zullen ze van hem verlost zijn. En van zijn vragen, waarop het enige wenselijke antwoord door Blanken zelf is bepaald. Het is alleen te hopen dat ze de stadsgrens halen voordat de boomklok luidt.
Amsterdamse havens, 1819
Ze zijn vertrokken bij het eerste daglicht. De kou deed de touwen van het stadsjacht kraken bij het losgooien, de schipper moest moeite doen ze van de palen te krijgen. Voorzichtig heeft hij het jacht de Admiraliteitswerf uit gevaren, door de toegang in de palenrij die geopend werd met het wegtrekken van de drijvende balk. De boomklokken luidden nog toen het stadsjacht het IJ op voer. Daar trokken de masten van de voor anker liggende schepen donkere strepen in de oranjegekleurde lucht.
Met het oplichten van de hemel neemt de drukte op het water toe. Lichters zwermen rond de galjoot die gelost moet worden, een hoog op het water drijvende driemaster wacht op vletten met tonnen drinkwater terwijl de roeischuiten af en aan varen, van de havens en kades achter de palengordel naar de hektjalken en kofschepen op de rede van het IJ. Het stadsjacht laveert er langzaam tussendoor. De schipper gebaart zijn jonge maatje de fok wat aan te trekken terwijl hij tegen de helmstok duwt.
Op een bankje op het achterdek wrijft de opzichter van de stadsmodderwerken zich de handen tot ze gloeien. Omgang met kou is hij gewend. Zitten en niets doen niet. Van den Heuvel hoopt op genoeg werk de komende uren, al weet hij niet wat voor werk dat zal zijn. Hij is onkundig gehouden over zijn rol tijdens de drie dagen durende onderzoekstocht die, volgens directeur Van Ronselen van de Stads Modder en Graafwerken, niet alleen het IJ en de Amsterdamse havens zal beslaan, maar ook de Buiksloterringvaart, tot Purmerend aan toe. Hij kijkt naar de kajuit. Daar staat de directeur, het hoofd schuin gedraaid om maar geen woord te missen van de man die naast hem staat. Inspecteur-Generaal van de Waterstaat Jan Blanken in eigen persoon.
Van den Heuvel bekijkt hem met belangstelling. Op leeftijd, is zijn eerste gedachte, al laat hij die snel weer los. De waterbouwkundige spreekt en beweegt met een kloekheid die hem jaren jonger doet schijnen dan de vierenzestig die hij daadwerkelijk telt. Zijn wangen zijn gekleurd door rode blossen, al is het binnen in de kajuit even koud als erbuiten, zijn handen gebaren energiek boven de tekening die uitgespreid ligt op de kaartentafel. Zijn mond beweegt mee met zijn handen. Een zuinig mondje, als van een pruilend kind dat zijn zin niet krijgt. Maar die vergelijking is natuurlijk niet gespeend van vooroordeel. Want als het aan Jan Blanken en zijn plannen ligt dan verliest de opzichter zijn baan. En de stad haar aangezicht.
Er wordt honderduit over gesproken. Van de baggerlieden van de stadsmodderwerken tot de directie ervan, van de havenwerkers tot de scheepsreders, van de maatjes tot de schippers, iedereen heeft het over hetzelfde: het voorgenomen plan om de Amsterdamse havens in te dijken. Een oud plan, maar nog even brutaal als het in 1805 was. Dat vindt vooral de gemeenteraad, die is woedend. En ditmaal niet alleen over het idee om de palenrij aan het IJ te vervangen door een dokdijk, maar ook over het voornemen een kanaal te graven dat Den Helder met Amsterdam verbindt en dat ongeschikt is voor de grote koopvaardijschepen.
Jan Blanken draait zich om en wenkt. De Inspecteur-Generaal gaat uitleg geven over wat er verwacht wordt. Er moeten peilingen worden gedaan en monsters worden genomen, vandaag en morgen in het IJ, en in de havens, de daaropvolgende dag op de trekvaart naar Purmerend. Hij mag aannemen dat ook de opzichter weet heeft van de Amsterdamse wensen voor het Noordhollandsch Kanaal? Het is geen vraag, het is een aanname. Jan Blanken doelt op het voorstel dat de gemeenteraad aan de koning gestuurd heeft.
De Inspecteur-Generaal tikt op de kaart ten teken dat de opzichter dichterbij moet komen. Nog voordat die ook maar een stap heeft kunnen zetten, steekt Jan Blanken al van wal. Zijn toon is aanmatigend als hij spreekt over Amsterdam en diens weerstand tegen zijn Noordhollandsch Kanaal. ‘Allemaal angst,’ vindt Blanken, ‘op niets gebaseerde onzekerheid.’ Dat eerste mag dan de waarheid zijn, het tweede is dat niet. De vrees van Amsterdam dat er langs het nieuwe kanaal havens ontstaan waardoor de handel zich zal verplaatsen naar Den Helder, Alkmaar en Purmerend, is niet ongegrond. In het kanaal dat ontworpen is voor de marineschepen passen immers ook kleine handelsschepen. Fluiten, hoekers, tjalken en smakken kunnen met gemak door de sluis in het Nieuwe Diep. Zij zullen de Zuiderzee mijden, en de stad aan het IJ evengoed wanneer er eenvoudiger te bereiken havens zijn. Hetzelfde geldt voor de scheepswerven. Geen schip dat nog over het Pampus kruipt wanneer het elders het dok in kan. Het is niet verwonderlijk dat de raad van de stad Amsterdam ontsteld was toen koning Willem i kenbaar maakte al vroeg in het komende voorjaar te willen aanvangen met de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal.
Jan Blanken bekijkt de tekening. Een kaart van het Noorderkwartier met daarop de trekvaart naar Purmerend. Er staan kruizen en cirkels op. Plekken om te peilen en grondmonsters te nemen, want om het kanaal aan te passen aan de grotere handelsschepen zal het niet alleen verbreed maar ook verdiept moeten worden. Of dat tot problemen leidt, dat moet in de komende dagen worden uitgezocht. Het rapport dat de Inspecteur-Generaal zal schrijven over zijn bevindingen heeft haast, zoals alles haast heeft gekregen nu de koning besloten heeft dat het hem ernst is met dat kanaal.