De geur van de herfst hangt tussen de bomen als het gezin Van de Waerdt een zondagmiddagwandeling maakt. Het is hun gebruikelijke rondje, vanuit huis door een klein bos dat doodloopt op de snelweg van Utrecht, via Arnhem naar West-Duitsland. De dag begon grijs, maar nu genieten vader, moeder en hun twee dochters van de zon die toch nog door de wolken is gebroken. Het is een laatste oprisping van een mooie herfst, en dat terwijl de zomer ook al buitensporig fraai was. Vader Jan en oudste dochter Melissa gaan voorop, het bospad slingert in de richting van parkeerplaats De Heul. De parkeerplaats is vanuit het bos te bereiken door over een laag hek te stappen, maar de familie mijdt de plek liever. De Heul is niet pluis, daar gebeuren dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. Ze slaan linksaf, terug naar huis. Melissa huppelt vooruit en zingt Daddy Cool van Boney M, de hit van dat moment. De gele prunusbladen ritselen onder haar voeten. Het is alsof het pad licht geeft.
Als het suizen van de A12 toeneemt, dringt een onaangename geur haar neus binnen. Een dood dier, denkt ze. Melissa kent de geur van kadavers. Haar opa runt een varkensfokkerij. De dode biggen legt hij gewoon aan de weg voor het destructiebedrijf, dat ze met een grijper op een vrachtwagen laadt. Misschien is er een hond aangereden op de snelweg die zich met de laatste krachten naar de bosjes heeft gesleept om er te sterven. De achtjarige Melissa rilt bij de gedachte, ze is gek op honden. De geur wordt zo penetrant dat moeder en jongste dochter zich walgend afkeren, maar Melissa is nieuwsgierig. Ze volgt haar neus en stapt van het pad af, het struweel in. Daar gilt ze het uit, haar vader is met één sprong naast haar. Aan hun voeten ligt een lichaam, het hoofd vrij en het lijf met dunne takken overdekt. Het vlees op het gezicht is donker van ontbinding. Door het lange haar weet Melissa meteen dat het een meisje is. Ze ligt op haar rug, de tenen omhoog, in een ondiepte in de bodem. Het beeld staat vijftig jaar later nog op het netvlies van Melissa gegrift. De tenen van het meisje lijken wel witte asperges, denkt ze. Door de twijgen heen schemeren haar witte ribben. Vader en dochter staan een moment perplex. Maarsbergen, vlakbij hun huis, wie verwacht nu zoiets. De kinderen spelen daar vaak in het bos. Waarschijnlijk hebben ze die geur nu pas geroken, omdat de wind in een bepaalde richting staat. Melissa’s vader grijpt een stok van de grond. Als Jan van de Waerdt zachtjes de schedel heen en weer beweegt, glijdt het haar ervan af. Een lange streng donker haar. Op de plek van de ogen zitten twee gaten.
‘Een lijk!’ schreeuwt Van de Waerdt naar zijn vrouw, die met de jongste dochter op het pad is blijven staan.
‘Neem jezelf in de maling,’ roept ze terug. Ze kent haar man.
‘Nee, geen grap. Kom kijken. Snel’
Ze hoort aan haar mans stem dat het menens is. Als ook zij het ontzielde lichaam ziet, daalt het besef pas echt in. In marstempo keren de vier terug naar huis. Buiten adem draait Jan van de Waerdt het nummer van de plaatselijke politie.
Rechercheur Willem Raa zit in zijn tuin te genieten van de late zon, als hij rond half zes binnen de telefoon hoort gaan. Na een paar jaar marinier te zijn geweest, is hij bij de politie opgeklommen tot plaatsvervangend groepscommandant van de recherchegroep Utrecht. De meldkamer, roept zijn vrouw. Raa spoedt zich naar de huistelefoon aan de muur in de hal. Er is een stoffelijk overschot op parkeerplaats De Heul gevonden, vertelt een collega. Raa kent de reputatie van de parkeerplaats. Na zonsondergang verandert De Heul in een soort Sodom en Gomorra, met drugs, prostitutie en zwarte handeltjes. Een plek waar de rechtlijnige Raa van gruwelt. Hij belt zijn chef en springt in zijn auto. Nu mis ik Studio Sport, schiet het door hem heen.
Het schemert nog niet als Raa de hand van Jan van de Waerdt schudt. Op verzoek van de politie is hij teruggekeerd naar De Heul om de plaats delict aan te wijzen. Met enige moeite heeft hij zich los weten te weken van vrouw en dochters. ‘Wat als de moordenaar nog in de buurt rondloopt?’ vroeg Melissa in een mengeling van angst en sensatie.
Het ontklede lichaam van het meisje bevindt op een steenworp van de parkeerplaats. De geur van ontbinding slaat de mannen in het gezicht. Tussen het struikgewas ziet Raa het stoffelijk overschot liggen, een streng haar naast de schedel. Naast de lange lokken vallen hem de forse bovenbenen van het meisje op. En dat ze geen enkel kledingstuk aanheeft. Als even later Raa’s chef, adjudant Benthem, aankomt op de plaats delict, concluderen ze al snel dat ze die dag weinig meer kunnen doen. Het is eind oktober, de dagen worden korter. Ze stellen het draaiboek voor zeer ernstige delicten in werking. Samen met een paar toegesnelde collega’s zetten de mannen het terrein af met linten, laten de plek bewaken en zoeken contact met de patholoog-anatoom Jan Zeldenrust. De volgende dag zullen flink wat manschappen nodig zijn om het terrein af te speuren, op zoek naar bewijs.